Museum Boijmans Van Beuningen is 'Gek van surrealisme'

Tijdens Rotterdam Art Week opende in het Museum Boijmans Van Beuningen een nieuwe tentoonstelling over het surrealisme. De opening was dan ook een surreële belevenis: het museumpersoneel verkleed als kunstwerken van Dali of Magritte, steltenlopers, performances en te dure cocktails vernoemd naar kunstenaars. In dit decadente gekkenhuis was het over de koppen lopen om de tentoonstelling zelf te kunnen zien. Gek van surrealisme is niet zozeer een overzichtstentoonstelling, omdat het vertrekt vanuit vier private collecties. Roland Penrose, Gabrielle Keiller, Edward James en Ulla en Heiner Pietzsch waren allemaal gek van surrealisme.

De tentoonstelling 'Gek van surrealisme' opent in Museum Boijmans van Beuningen op 10 februari 2017. © Aad Hoogendoorn. 

De tentoonstelling 'Gek van surrealisme' opent in Museum Boijmans van Beuningen op 10 februari 2017. © Aad Hoogendoorn. 

Pedigree

De tentoonstelling vangt heel didactisch aan, met een creatieve introductiefilm. In de eerste zaal worden bovendien alle technieken eigen aan het surrealisme verklaard: grattage, frottage, cadavre exquis, etc. Het vervolg van de tentoonstelling lijkt echter niet te stroken met deze didactische insteek. De zalen zijn ingedeeld volgens de vier verzamelaars op wiens collectie deze tentoonstelling gebaseerd is. Elke zaal wordt overschaduwd door een groot portret van de verzamelaar(s) in kwestie, en een korte biografie.

Een aantal vragen dringt zich op bij deze vermenging van de museale en de private sfeer. Leidt de nadruk op de verzamelaars niet de aandacht af van de kunst? Gaan de inhoudelijke en artistieke relaties tussen de getoonde stukken niet gebukt onder de prestige die ze hun verzamelaars en mecenassen opbrachten? Volgens mij zouden de  kunstwerken beter tot hun recht komen in een scenografie die uitgaat van de kunst zelf, en niet van de pedigree of afkomst. De pedigree van een kunstwerk is uiteraard erg belangrijk, maar hoeft mijns inziens geen museale leidraad te zijn. De focus op de pedigree kan verkeerd begrepen worden als een focus op prestige, terwijl een museum er naar mijn mening toch net is om kunst publiek toegankelijk te maken, ongeacht de afkomst.

 

Verzamelaar, maar ook mecenas

Salvador Dali, Een paar met het hoofd vol wolken, 1936.

Salvador Dali, Een paar met het hoofd vol wolken, 1936.

Anderzijds is het historische belang van de verzamelaars in dit geval niet te onderschatten. Met name Edward James (1907-1984) bleek een rechtstreekse invloed uit te oefenen op de productie van Salvador Dali. James besloot zijn riante erfenis te wijden aan het kopen van kunst, maar beschouwde zichzelf ook als kunstenaar en dichter. Hij schoof Dali een maandelijkse toelage toe, in ruil voor zijn volledige artistieke productie. Bovendien werkten ze ook samen: James moedigde Dali onder meer aan tot het creëren van de wereldbekende White Aphrodisiac Telephone en de Mae West Lips Sofa. James was overigens zo gek van surrealisme dat hij een grote lap grond in Xilitla, Mexico kocht met de bedoeling er, samen met de lokale bevolking, een surrealistische tuin aan te leggen. De meeste sculpturen en architecturale elementen liet hij bewust onafgewerkt, zodat de natuur ze kon vervolledigen. Een ‘cadavre exquis’-achtig spel met Moeder Natuur dus.

Ook Roland Penrose (1900-1984) was zelf kunstenaar. Enkele werken van zijn hand zijn een waardevolle aanvulling binnen de tentoonstelling. Zijn Night and Day (1937) is duidelijk geïnspireerd op Delvaux en Magritte (Penrose neemt zelfs diens kenmerkende wolkjes over). De Brit trok naar Frankrijk om zich in het kunstenaarsbestaan te storten en maakte daar kennis met enkele surrealisten en kubisten. Toen hij een grote som geld erfde, besloot hij bevriende kunstenaars te ondersteunen. In 1936 organiseert hij samen met onder anderen André Breton, Man Ray, Paul Eluard en Henry Moore de London International Surrealist Exhibition, wat geldt als de eerste introductie van het surrealisme in het Verenigd Koninkrijk. Een jaar later koopt Penrose een galerie in London, waar hij surrealistische werken toont, en waarvan hij het dagelijkse beheer overlaat aan zijn goede vriend, de Belgische dichter E.L.T. Mesens.  

 

Acht thema’s

Hoewel de tentoonstelling grotendeels is gestructureerd rond de vier verzamelingen, is er ook een centrale, ellipsvormige ruimte, gewijd aan een thematische ordening van een aantal werken. Deze poging om de aandacht terug te brengen naar de kunst zelf lukt maar half. De acht thema’s lijken eerder willekeurig. Waarom past Max Ernst wel onder ‘onheilspellende landschappen’ maar niet onder ‘toeval’ en wordt aan Delvaux wel ‘poëzie’ toegeschreven, maar niet de ‘ongewone alledaagse realiteit’ waaronder men wel Magritte plaatst? De thema’s zijn slecht gekozen omdat ze de kunstenaars een wel heel nauwe definitie lijken op te leggen. Zo suggereert ‘De onheilspellende landschappen van Max Ernst’ dat Ernst nooit iets anders dan landschappen schilderde en brandmerkt ‘De paranoia van Dali’ de kunstenaar quasi als een paranoïde gek.

Het thema ‘Begeerlijke objecten’ lijkt een excuus om ook nog surrealistische sculptuur en readymades aan te brengen, waar die in de rest van de tentoonstelling eerder slecht vertegenwoordigd zijn. Nochtans speelde, vooral in de jaren 1930, de readymade een grote rol. Het gevonden object als sculptuur markeert een belangrijke wending in de moderne kunstgeschiedenis. In dit klein onderdeeltje van de tentoonstelling worden sculpturen en readymades echter onder dezelfde noemer geplaatst, wat de aandacht enigzins afleidt van het historische belang van die laatste, waarvan een van de meest iconische voorbeelden trouwens wel aanwezig is: het befaamde Cadeau (1921) van Man Ray.

 

Vrouwen op de achtergrond

Leonor Fini, Due donne, 1939.

Leonor Fini, Due donne, 1939.

En dan nog ‘Fabelachtige vrouwen’. Deze titel maakt het gebrek aan vrouwelijke vertegenwoordiging in de vier verzamelingen - en dus in de tentoonstelling - schrijnend duidelijk. Nochtans kunnen zeer bekende vrouwelijke kunstenaars surrealisten genoemd worden, zoals Frida Kahlo en Dora Maar. In dit thematje krijgen de minder bekende Leonora Carrington en Leonor Fini welverdiende aandacht, naast de mij wel bekende Dorothea Tanning. Het is overigens wel zo dat de originele ‘surréalistes’, het kliekje opgericht door André Breton, sterke criteria hanteerde voor wie erbij hoorde en wie niet, en dat vrouwen daarbij helaas vaak uit de boot vielen.

Leonora Carrington (1917-2011) bewijst met een aantal sterke stukken dat de afwijzing van de surrealisten onterecht was, maar haar stijl lijkt inderdaad in niets op die van haar surrealisten-collega’s. Werken als The Giantess (ca. 1947) en The House Opposite (1945) doen bijna boschiaans aan. Op dat laatste schilderij zijn bijvoorbeeld mensen met dierenhoofden en langgerekte ledematen te zien. Ook haar kleurgebruik, met veel bruin- en roodtinten, herinnert aan de Vlaamse primitieven. Wellicht had dit werk een te ouderwetse uitstraling om door de surrealisten gewaardeerd te worden, maar Carrington kwam ook net te laat. In de jaren dertig en veertig, wanneer zij de hier getoonde werken maakte, waren de hoogdagen van het surrealisme eigenlijk al voorbij. De kunstenares vond wel een geïnteresseerd publiek in Mexico, waar ze in de jaren dertig naartoe vluchtte vanwege de oorlog.

De schilderstijl van Leonor Fini (1907-1996) sluit dan weer perfect aan bij die van kunstenaars als Magritte en Delvaux. De van oorsprong Argentijnse kunstenares werd in de jaren dertig door Max Ernst bij de andere surrealisten geïntroduceerd. Hoewel ze aan enkele grote tentoonstelling deelnam, werd ze nooit volledig door de groep geaccepteerd. Op het schitterende Due Donne (1939), uit de collectie van Ulla en Heiner Pietzsch, beeldt Fini zichzelf af met brandende kaarsen en in het haar, terwijl haar goede vriendin Leonora Carrington haar door een sleutelgat in de gaten houdt.  

 

Veilige focus

Gek van surrealisme profileert zich, vooral bij de introductie, als een didactische tentoonstelling. Bijgeleerd heb ik zeker - de documentatie over de vier verzamelaars zal voor de meeste bezoekers vrijwel zeker nieuw zijn. Ook sommige kunstenaars of werken zijn minder gekend en daarom interessant om te ontdekken. Het surrealisme is echter een populaire stroming, die al dikwijls verkend, bestudeerd en gepresenteerd is. Het is dan ook jammer dat een groot instituut als het Boijmans Van Beuningen haar positie niet gebruikt om nog meer een nieuw perspectief te ontwikkelen of door te drukken. Akkoord, grote namen als Dali, Ernst, Delvaux en Magritte zijn terecht groot. Bovendien focust het Boijmans Van Beuningen op een minder gekend deeltje geschiedenis van deze alom bekende artiesten, namelijk de relaties met enkele belangrijke verzamelaars en mecenassen.

Anderzijds blijft het dan steeds om die beroemde namen gaan, terwijl de tentoonstelling toch aanleiding geeft om te denken dat het zo populaire surrealisme veel ruimer is dan Dali, Ernst, Delvaux of Magritte. De klemtoon komt te liggen op de grootste namen binnen privécollecties, eerder dan op de verdere exploratie van de kunststroming zelf, terwijl daar duidelijk ook nog veel te ontdekken valt. Ondanks kleine knipogen naar nieuwe inzichten - bijvoorbeeld een extreem bescheiden en vluchtige vermelding van enkele vrouwelijke kunstenaars, om zich toch maar van die verantwoordelijkheid te kwijten - speelt het Boijmans Van Beuningen heel erg op safe. Gek van surrealisme laat de verzamelaars met de eer lopen en toont bijgevolg geen inhoudelijk onderzoek, maar vooral een bevestiging van de glorie van Dali en co.

 

Gek van surrealisme loopt tot 28 mei 2017 in Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam.