Onbekende pareltjes in het Maurice Verbaet Art Center

Op de Antwerpse Mechelsesteenweg is sinds september de Maurice Verbaet Art Center (mvAc) open. Aan de basis van deze privé-instelling ligt de collectie van de verzamelaar Maurice Verbaet, die sinds vorig jaar uitsluitend focust op naoorlogse Belgische kunst. Werken uit de 'trente glorieuses', de periode tussen 1945-1975 worden in grote musea slechts zelden belicht. Om dat gemis op te vangen, en vanuit het idee dat onbekend onbemind is, stelt de mvAC zicht als doel deze kunst te tonen, onderzoeken en promoten.

Dat resulteerde in de opening van het mvAc en de tentoonstelling Connexions One. Belgische kunst 1945-1975. Deze inleidende expositie is opgebouwd rond verschillende thema's, wat ervoor zorgt dat veel kunstenaars door elkaar hangen. Dat, in combinatie met een niet-chronologische aanpak, maakt de opstelling soms wat verwarrend - gelukkig is er een introducerende zaaltekst. In de eerste ruimte 'Buiten de grenzen' zijn werken te zien die deel waren van internationale tentoonstellingen en ver buiten België gereisd hebben. De volgende zalen focussen achtereenvolgend op de Expo 58 in Brussel en de G58-beweging in Antwerpen, op publieke kunst, op de combinatie van kunst en design en op enkele grote persoonlijkheden die zich achter de kunstenaars schaarden. Die speciale aandacht voor personen of instituten die in de naoorlogse periode deze kunstenaars ondersteunden is een kernpunt ven de tentoonstelling. Ze licht bijvoorbeeld toe wat het belang was van Emile Langui (lees hier over zijn verdiensten) en welke doorslaggevende rol van het Paleis voor Schone Kunsten van Brussel (nu BOZAR) speelde.

Pierre Alechinsky, Le monde flottant (1957) (foto uit catalogus Connexions One, p. 79, © SABAM)

Pierre Alechinsky, Le monde flottant (1957) (foto uit catalogus Connexions One, p. 79, © SABAM)

Hoe boeiend die historisch-thematische opbouw ook is, ze is niet wat de tentoonstelling voor mij zo bijzonder maakte. Wat dat wel deed, waren twee abstract expressionistische schilderijen van Pierre Alechinsky en Pol Mara en een kleine maquette van Jacques Moeschal. 

Wat Alechinsky en Mara gemeen hebben, is dat ze met hun schilderijen een beeldtaal hanteren die we niet "gewoon" zijn: één die niet figuratief is en steunt op kleur, vorm, en misschien ook wel op textuur. Met een eigen esthetiek trachten ze de kijker iets duidelijk te maken, een boodschap over te brengen, of beter nog: een gevoel. Alechinsky's Le monde flottant oefende vanaf het eerste moment dat ik het zag een grote aantrekkingskracht op me uit; alsof het een batterij was die me helemaal kon opladen met energie. Al kijkend besefte ik dat abstracte kunst telkens opnieuw een echte kijk-uitdaging voor me is. De werken die mijn blik weten vast te houden, zijn steeds ook de werken die mijn gevoelens op één of andere manier bespelen.

Pol Mara, Zonder titel (1962) (foto uit catalogus Connexions One, p. 294, © SABAM)

Waar Alechinsky met zijn drukke lijnen en rozige kleuren energie losliet - werkelijk, het spat van de muur! - bracht Pol Mara verstilling en rust. Het gaat hier om een jong titelloos werk dat vrij atypisch is voor zijn œuvre (Mara staat bekend als Belgische interpretator van de pop-art). Op een witte achtergrond heeft hij met donkere olieverf een vorm aangebracht die het doek in twee verdeelt. Die vorm is langs de ene kant sterk afgelijnd, langs de andere kant onregelmatig. Waar zit hier toeval? Waar zit hier precisiewerk? Ik kreeg de indruk dat Mara dit werk met een enorme concentratie maakte en dat die mentale inspanning nog steeds in het werk vervat zit. Het effect daarvan was dat ik zelf verstilde en de verplichting voelde aandachtig te blijven kijken. Het is een mooi, héél mooi werk.

Jacques Moeschal, Le Signal d'Hensies (1972)

Jacques Moeschal, Le Signal d'Hensies (1972)

Totaal anders dan deze twee schilderijen is de kunst die in de ruimte over publieke werken tentoongesteld staat. Vanaf de jaren '50 groeide de aandacht voor de integratie van kunstwerken in de openbare ruimte. De kunstwerken die vandaag nog de Brusselse metro sieren (o.a. Antoine Mortier in het station IJzer) zijn daar een gevolg van. Veel van de kunst die in het mvAc te zien is, kennen we dus (onbewust) wel al.

Ook Jacques Moeschal is een kunstenaar die veel in opdracht voor de Belgische staat gewerkt heeft. In het Brusselse Zuidstation heeft hij een plafond gemaakt en aan de Frans-Belgische grens in Zellik staat van hem Le Signal d'Hensies (1972). Het is een 63 meter hoge betonnen sculptuur die als 'signaal' in het landschap fungeert. De meeste mensen zien de enorme sculptuur waarschijnlijk alleen vanuit hun autoraam, en ik geef ook eerlijk toe dat het me op die manier nog nooit kon bekoren. Als maquette komt dit werk echter plots als klein juweeltje over, wat ervoor zorgde dat ik wel waardering kreeg voor de gestileerde vorm van dit Signal.

Dat is uiteindelijk wat deze tentoonstelling in het algemeen voor mij deed: appreciatie opwekken voor een onbekendere periode uit de Belgische kunstgeschiedenis. Nu vintage design al enkele jaren terug hip is, platenspelers steeds meer opnieuw verkocht worden en er ook in de mode trends uit de naoorlogse periode opduiken, is het ook niet meer dan logisch dat interesse in de kunst volgt!