Hoe we Fabre's Mount Olympus samen beklommen

Van zeven uur 's avonds (17 oktober) tot zeven uur 's avonds (18 oktober) bleven de deuren van het Teatro Argentina in Rome open. Ook de lichten bleven aan, de klapstoeltjes bleven bezet. Binnen was Jan Fabre's Mount Olympus. To glorify the cult of tragedy, a 24 hour performance bezig. Op scène werd gedanst en gevochten, de acteurs spraken en sliepen, en dat alles vierentwintig uur lang. De subtitel zegt het zelf: de voorstelling grijpt terug naar de tragedie, de Griekse tragedie om meer precies te zijn. Dat gebeurt dit weekend in het Concertgebouw Brugge opnieuw.

© Angelos bvba

Wat betekent het in deze hedendaagse samenleving om een voorstelling te maken die vierentwintig uur duurt? Wat hebben we nu aan een werk dat teruggrijpt naar de meest tragische figuren uit de Griekse mythologie? Waarom gaan we als kijkers in op die meedogenloze uitdaging? Elke toeschouwer die Mount Olympus "beklimt" zal zichzelf op een bepaald punt wel confronteren met deze vragen. Centraal in hun antwoord staat waarschijnlijk het begrip 'traagheid' of 'tijd', misschien zelfs 'ontkoppeling'. Wie weet ook: 'frustratie', 'vermoeidheid', 'slaap'. Fabre's voorstelling confronteert de toeschouwer dus met méér dan enkel Griekse mythologie. Al heel snel komen we als publiek ook onszelf tegen, en uiteindelijk ook elkaar. 

Over de voorstelling is al veel geschreven, in binnen- en buitenland. Op de website van het Concertgebouw Brugge staan heel wat links.  Ik las al over de impact van de tijd voelen voorbijkruipen, over hoe het verschil tussen theater en buitenwereld vervaagt, over de gruwel van sommige scènes en de enorme realiteit ervan. Dat is allemaal waar. Oh, het is héél waar! In mijn slaperige roes werd het Teatro Argentina voor vierentwintig uur mijn wereld, en was een hap gaan eten in de stad een stap in het vreemde. Ik wilde na afloop van de voorstelling zelfs niet naar buiten, terwijl ik tijdens het stuk zelf meermaals mezelf moest verplichten te blijven zitten omdat bepaalde scènes me erg naar de keel grepen. Tranen in mijn ogen, zo nu en dan. Voor wie er aan begint, heb geen schrik: het is soms ook schaterlachen.

Maar naast die erg individuele ervaring was die vierentwintig uur Mount Olympus ook een collectief gebeuren. Ik voelde me verbonden met de mensen rondom me. Ik zag hoe de man aan mijn linkerkant begon in te dommelen na zes uur, terwijl de man die rechts van me zat stiekem foto's nam met zijn smartphone. Daar zat ik dan, tussen een 'ik doe even een dutje'-mentaliteit enerzijds en een 'ik wil niets missen'-redenering anderzijds. De voorste rijen bewogen onrustig wanneer er op scène dingen gegooid werden, en inderdaad, ik vond ook dat de vliegende ingewanden wel erg dicht bij het publiek kwamen. Ik begreep de vrouw die haar neus dichtkneep toen het stonk, zelfs al stoorde de geur mij niet zo. Maar meer dan dat ik specifieke handelingen in de massa rondom me observeerde, voelde ik bij bepaalde scènes ook collectieve emotionele reacties.

Posterbeeld in Rome: Gustav Koenigs die de springtouw-scène leidt (© Troubleyn/Jan Fabre)

Na de intensieve springtouw-scène, waarbij een aantal acteurs met ijzeren kabels touwtjespringen en teksten scanderen tot ze er letterlijk bij neervallen, voelde ik de opluchting bij het publiek. Wanneer drie van hen dan opnieuw begonnen -een bijzonder wrede wending- werd mijn eigen verontwaardiging hoorbaar in de zuchten die uit de zaal klonken. Het applaus dat na een vijftien minuten volgde, was een enorme ontlading, alsof iedereen toch even wilde duidelijk maken dat we als publiek "een stap dichter waren bij het overleven van deze voorstelling." Ik voelde me gesterkt.
En zo waren er nog momenten dat we als kijkers allen tezamen reageerden. Tijdens de mooie "Vogue Dance" hoorde ik het publiek verstillen en in bewondering kijken naar de bewegingen van de dansers. Na een uur en veertig minuten toneel over Medea werd zo uitbundig geklapt dat ik ervan verschoot - het leek bijna een popconcert. We naderden samen het einde. Opnieuw geklap na Ajax' optreden. Men bleef klappen, luider en luider. Maar vlak voor de eindscène, tijdens het hartverscheurende optreden van Cédric Charron (excuses: ik ben de naam van het karakter dat hij speelde vergeten), was het muisstil. Hij speelde een soldaat die vertelde over de manier waarop hij gemarteld werd. De tragedie werd werkelijk onhoudbaar. Niemand verroerde zich, iedereen keek, mijn mond werd droog, mijn maag draaide zich om. Toen hij het podium verliet, bleef het nog even stil, daarna barstte iedereen los in applaus. Plotseling begreep ik waarom al dat klappen voor ons allen zo belangrijk was. Applaudisseren deed ons er aan herinneren dat het theater was. Dat we ergens naar keken, al vierentwintig uur lang, en dat het allemaal wel heel erg reëel leek na al die tijd, maar het toch nog altijd een voorstelling was. Het klappen van onze handen bracht ons samen, als publiek, even terug naar de werkelijkheid. 

Na iets meer dan een maand is er van Mount Olympus veel blijven terugkomen. Ik denk er best vaak aan, altijd met dankbaar gevoel. Die verbondenheid die ik in Rome voelde (en die zich trouwens ook uitstrekte naar de acteurs) heeft een warmte achtergelaten. Het was heerlijk om samen onze liefde voor theater te uiten door die uitdaging van een etmaal kijken aan te gaan. Ik ben er zeker van dat ook in Brugge de kunst het publiek zal samenbrengen.