Theater voor wie graag kijkt: Philippe Quesne

Ik ben eigenlijk geen kenner, dus de eerste keer zeg ik dat ik twee tickets heb voor Philippe ‘Kwesne’ in het Kaaitheater. Philippe Quesne is Frans kunstenaar en theatermaker, en heeft zijn naam aan zijn theatercollectief gegeven. Inderdaad, Frans, en dus spreek je dat uit als ‘Ken’. Ik heb twee keer een werk van Philippe Quesne gezien. Ik zeg liever werk dan voorstelling, ook al vond wat ik te zien kreeg wel op een podium plaats. Quesne is van opleiding beeldend kunstenaar. Wat hij maakt is visueel dan ook zo sterk dat het even goed een bewegend schilderij zou kunnen zijn.

De eerste keer was ‘L’effet de Serge’ - een Franse woordspeling voor kortsluiting - en vertelt het verhaal van Serge. Serge is wereldvreemd en hobbykunstenaar. Van een rondrijdende chipszak tot een lichtspektakel met de koplampen van een auto op het ritme van Wagners Valkyrie: elke week steekt Serge iets in elkaar en op zondag nodigt hij publiek uit voor een vertoning van zijn bij elkaar geprulde resultaat. Dat levert steeds poëtische en af en toe hilarische scenes op. De vanzelfsprekendheid die van het acteren uitgaat en de eindeloze absurditeit zijn de grootste sterktes. Ze komen ten volle tot hun recht in een decor dat zo realistisch is dat het uit het leven gegrepen lijkt, net zoals de bezoekers. Quesne kiest er namelijk steeds voor om met figuranten te werken uit de buurt van het theater waar de opvoering plaatsvindt. Zij acteren niet, maar proberen zoveel mogelijk zichzelf te zijn. Op het podium zijn zij dan ook overtuigend onwennig.

quesne blog mg.png

De tweede keer was ‘Swamp Club’. De absurde humor ligt er hier niet zo dik op, maar het hyperrealistische decor en het werken met figuranten blijven kenmerkend voor Quesne’s stijl. ‘Swamp club’ toont de geschiedenis van een prestigieus kunstencentrum in het midden van de natuur, eigenlijk een moeras. De natuur dreigt te vergaan en kunstenaars en bezoekers van het centrum vouwen struikje voor struikje, grashalm voor grashalm, tot zelfs het idyllische riviertje, zorgvuldig op en zetten alles keurig in het high-tech glazen gebouw. De link met het natuurhistorisch museum, waar alles bewegingsloos in glazen kasten staat, is snel gelegd. Behalve de bijna rituele ontruiming van de natuur, lijkt op de scène niet veel te gebeuren. Bovendien gebeurt dit hele opruimproces bijna zo traag dat je aanvankelijk denkt dat er helemaal niets gebeurt, wat bij veel toeschouwers tot ergernis durft leiden. Maar plots - en bijna zonder dat iemand iets door had -  staat de natuur daar: veilig opgesloten, klaar om voorgoed museum te zijn. Dat blijkt een krachtig eindbeeld, dat lang nazindert, het is intussen immers zes maand geleden dat ik de opvoering heb gezien.

Binnenkort speelt ‘Swamp Club’ in het Kaaitheater. Als je houdt van absurde humor, maar bovenal graag kijkt, is dit kunstwerk op het snijvlak van beeldende kunst en theater een absolute aanrader. Het zet aan tot denken over onze houding tegenover cultuur, en bovenal over de precaire status van de natuur. Volgende keer schrijf ik daar eens een stukje over.